Geschiedenis
Inhoud
Oprichting
Regiment Limburgse Jagers
Het Vaandel
De jaren vijftig
1957: Twee parate bataljons Limburgse Jagers
De jaren zestig
Modernisering materieel in de jaren zestig
Limburgse Jagers naar Seedorf
Oprichting Regiment Limburgse Jagers (RLJ)
In januari 1948 werd Luitenant-Kolonel J.L.H.A. Antoni in Limburg geplaatst als commandant van 5 Depot Infanterie. "Als geboren, doch niet getogen, beneden-Moerdijker", zoals hij zelf later schreef, was hij met deze plaatsing zeer verheugd. Nadat hij met de leiding van 5 Depot Infanterie werd belast werd Antoni bovendien benoemd tot commandant van 2 Regiment Infanterie. Tevens kreeg hij, tot zijn grote verrassing, eveneens het commando over 6 Regiment Infanterie.
Al
snel pleitte Antoni voor de oprichting van een regiment waarin alle in Limburg
gelegerde militairen zouden zijn verenigd. Dit Limburgse regiment moest het
saamhorigheidsgevoel stimuleren en daardoor een positief effect hebben op de
dienstijver, de dienstprestaties en het gedrag zowel in als buiten dienst.
De naam van het regiment moest, aldus Antoni, "inspirerend en militair psychologisch goed werken". Uiteindelijk koos hij voor de naam 'Limburgse Jagers'. Antoni zag de Limburgse militair als een "door het bronsgroen eikenhout en langs de grens zwervende ontspannen, uitgelaten persoon, vol van spanning en actie, en behept met jagersdorst en jagerslatijn". Daarbij kwam nog, dat er reeds twee militaire jagerskorpsen in Limburg hadden bestaan, aan welke men goede herinneringen bewaarde.
De oprichting van het Regiment Limburgse Jagers (RLJ) maakte deel uit van het Legerplan 1950 en van de nieuwe legerorganisatie die op 1 juli 1950 van kracht werd. Veel oude regimenten en korpsen werden opgeheven terwijl er nieuwe voor in de plaats kwamen. Het Regiment Limburgse Jagers zette de traditie voort van 2, 6 en 11 Regiment Infanterie, die op dezelfde datum werden opgeheven. Luitenant-Kolonel Antoni werd de eerste Regimentscommandant.
Op 8
oktober 1951 ontvingen de Regimenten Infanterie Oranje Gelderland, Johan Willem
Friso en Limburgse Jagers uit handen van Hare Majesteit Koningin Juliana hun
regimentsvaandels. 
De opschriften
op het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers luiden: Quatre Bras en
Waterloo 1815 - Tiendaagse Veldtocht 1831 - Citadel van Antwerpen 1832. De
opschriften had het regiment te danken aan de verrichtingen van een aantal van
haar stamonderdelen.
Begin
jaren 50 kwam de Westerse defensie-inspanning in een stroomversnelling.
In
rap tempo werd de Koninklijke Landmacht opgebouwd. Halverwege de jaren 50
stroomde veel nieuw materieel in.
Het
semi-automatische geweer Garand verving de Lee Enfield, de zware mitrailleurs
Browning .30 en .50 werden geintroduceerd en een aantal terugstootloze
vuurmonden werden in de bewapening opgenomen.
De legerhervorming in 1953 behelsde onder andere het paraatstellen van 4 Divisie. Daartoe verhuisde onder andere 322 Bataljon Limburgse Jagers (BLJ) van 3 naar 4 Divisie. Het bataljon werd omgenummerd tot 432 Bataljon Limbugse Jagers. 432 BLJ bleef, als eenheid van 43 Regiment Infanterie, gelegerd in Oirschot.
De Limburgse Jagers namen in de jaren 50 regelmatig deel aan grote oefeningen in de Bondsrepubliek Duitsland. In 1952 nam 422 BLJ deel aan oefening 'Hold Fast'. Een jaar later nam hetzelfde bataljon, inmiddels omgenummerd tot 432 BLJ, deel aan oefening 'Grand Repulse'. In 1954 waren zij wederom aan de beurt, tijdens de eerste grote oefening in NAVO-verband, 'Battle Royal' genaamd.
Ook humanitaire acties zagen in deze periode de fanatieke inzet van het Regiment Limburgse Jagers. Tijdens de Watersnoodramp van 1953 werden 332 BLJ (uit Oirschot) en 412 BLJ (uit Havelte) ingezet. 332 BLJ kwam terecht in Ossendrecht, Klundert, Bergen op Zoom en het gebied rond de Moerdijk, terwijl 412 BLJ inzet zag in Steenbergen, Zijpe, Haamstede, Zierikzee en het noodgebied rond Rilland Bath. Buiten de Watersnoodramp hielp 432 BLJ in 1956 met de opvang van gevluchte Hongaren.
Tijdens de reeds genoemde reorganisatie in 1953 werd het Regiment Limburgse Jagers niet gespaard. 412 BLJ ging over naar het Garde Jagers. Bovendien werden beide instructiebataljons in Venlo en Roermond opgeheven tengunste van de oprichting van 2 Depot Infanterie. Dit Depot werd gevestigd in de Frederik Hendrik Kazerne te Venlo.
1957: Twee parate bataljons Limburgse Jagers
In de jaren 50 groeide de KL-organisatie gestaag. In 1957 kon men daardoor voldoen aan het verzoek van de NAVO om twee parate divisies te vormen. Op 15 juli 1957 werd 1 Divisie '7 december' paraatgesteld. De divisie bestond uit een drietal regimentsgevechtsgroepen, die konden putten uit een bestand van zeven infanteriebataljons, alnaar gelang hun opdracht. Door de paraatstelling van 1 Divisie ontstond nu de behoefte aan in totaal 14 parate infanteriebataljons. Negen reeds bestaande bataljons werden hiervoor omgenummerd, de rest werd nieuw opgericht.
E�n van de nieuw opgerichte bataljons was 42 Bataljon Limburgse Jagers, dat op 1 juli 1957 het levenslicht zag. 42 BLJ werd toegewezen aan 41 Gevechtsgroep en gelegerd te Ermelo. In 1960 vormde het bataljon onder leiding van Kolonel G.H. Christian een zeer hecht geheel. Het bataljon vertoefde dat jaar twee maanden in La Courtine. weer terug in Nederland excelleerde het bataljon in oefening 'Hordenloop', de grootste oefening in Nederland gehouden na de Tweede Wereldoorlog. Op 15 november 1960 werd het 42 BLJ uitgeroepen tot 'meest verdienstelijke eenheid van 4 Divisie'.
Tevens werd in 1957 43 Gevechtsgroep (voormalig 43 Regiment Infanterie) omgenummerd tot 13 Gevechtsgroep. Dit was nodig omdat zij uit ging maken van 1 Divisie. Ook de bijbehorende bataljons werden omgenummerd en zo veranderde 432 BLJ in 16 Bataljon Limburgse Jagers. Het verblijf van 16 BLJ binnen 1 Divisie zou slechts drie jaar duren.
Met het groter wordende belang van tactische nucleaire wapens in de militaire strategie kwam eind jaren vijftig meer behoefte aan kleinere eenheden, die verspreid over een groot gebied, flexibel en onafhankelijk konden optreden. Zelfstandige brigades leken hiervoo het meest geschikt. Daartoe werden in 1960 de gevechtsgroepen opgeheven en tot brigades omgevormd.
Ten behoeve van deze kreeg 13 Pantserinfanteriebrigade (voormalig 13 Gevechtsgroep) een verkenningscompagnie. Deze compagnie moest de rol van de commandotroepen overnemen. 13 Infanterieverkenningscompagnie behoorde vanaf 28 augustus 1961 tot het Regiment Limburgse Jagers. Op dezelfde dag werden ook de Staf- en Stafcompagnie van 13 Pantserinfanteriebrigade en 13 Infanteriepioniercompagnie toegevoegd aan het Regiment Limburgse Jagers. Al snel gingen deze eenheden weer verloren voor het regiment. In 1963 werd 13 Infanteriepioniercompagnie opgeheven en overgenomen door het Wapen der Genie als een pantsergeniecompagnie. En op 1 juli 1967 werd 13 Infanterieverkenningscompagnie opgeheven en opgevolgd door 13 Zelfstandig Verkenningseskadron (Cavalerie).
Modernisering materieel in de jaren zestig
In
de nieuw gevormde brigades zou de te mechaniseren infanterie in samenwerking met
tanks optreden. Daarom werd een verregaande mechanisatie en modernisatie
doorgevoerd. De ouderwetse loopinfanterie ging hierdoor tot het verleden
behoren.
Het
gepantserde personeelswielvoertuig DAF YP-408 deed begin jaren zestig zijn
intrede. Naast deze motorisering werden vrijwel gelijktijdig ook de
pantserinfanteriebataljons gemechaniseerd, dat wil zeggen dat zij de beschikking
kregen over pantserrupsvoertuigen. Dit was nodig omdat het nieuwe optreden zich
kenmerkte door een intensievere samenwerking van infanterie, cavalerie en
artillerie. De infanterie moest daardoor beschikken over dezelfde snelheid en
terreinwaardigheid als tanks. Rupsvoertuigen waren daarvoor het meest geschikt.
Als eerste parate onderdeel kreeg 16 Pantserinfanteriebataljon (painfbat) in
1963 het
AMX-pantservoertuig.
Kort daarna volgde 42 Painfbat. Ieder bataljon kreeg de beschikking over 36
AMX-gevechtsvoertuigen,
plus een aantal andere versies, zoals commandovoertuigen,
bevoorradingsvoertuigen, etc.
Ook
de overige bewapening werd gemoderniseerd. In 1962 en 1963 werden de Karabijn en
de Stengun vervangen door de pistoolmitrailleur UZI, de garand werd opgevolgd
door het semi-automatische geweer FAL
en
de lichte mitrailleur Bren werd opgevolgd door de mitrailleur MAG. De
anti-tankwapens waren in ook aan vervanging toe
en
in 1963 werd de 84mm terugstootloze vuurmond (tlv) Carl Gustav ingevoerd
ter vervanging van de bazooka's en kwam de M72
LAW in de plaats voor de 57mm tlv.
De aankomst van de AMX-voertuigen bij 42 BLJ in 1963 was de aanleiding voor grote veranderingen. Allereerst werd het kader omgeschoold van (gewone) infanterie tot pantserinfanterie. Vervolgens ontving men in mei en juni de nieuwe voertuigen. De echte verrassing kwam echter in september van dat jaar. 41 Pantserbrigade - en daarmee ook 42 BLJ - kreeg een nieuwe legeringsplaats in Seedorf (Bondsrepubliek Duitsland). De plaatsing van 41 Pantserbrigade in Seedorf was het gevolg van de NAVO-plannen voor een voorwaartse verdediging in de Bondsrepubliek. Bij een crisissituatie diende 1 Legerkorps te verplaatsen naar de Noord-duitse laagvlakte. 41 Pantserbrigade moest de daarvoor benodigde tijd bevechten. 121 Lichte Brigade bevond zich sinds 1961 reeds nabij het NAVO-oefenterrein Bergen-Hohne. 41 Pantserbrigade nam nu de taken van 121 Lichte Brigade over. Seedorf werd de permanente legerplaats. De cavaleristen van 41 Pantserbrigade behielden Hohne als legerplaats.